Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijne zuster een afscheidsbrief schrijft

Maar helaas, 't was jammer, dat 
Prik een booze zuster had, 
Die hem dagelijks bekeef, 
Dat hij bij haar t' huis niet bleef, 
Tot hij eindlijk op papier
Bragt dit korte briefje hier:






‘Lieve zuster Ursula! 
Ik ga naar Amerika; 
Dat is 't echt kapelleland. - 
'k Schrijf je dit met eigen hand 
En blijf, evenals voorheen, 
Je getrouwe Prikkebeen.’




Doch, pas is dat schrijven klaar, 
Of wie komt me binnen daar? 
't Is zijn eigen zusjelief; 
Dadelijk pakt die den brief, 
Leest en.... de arme, onnoozle Prik 
Staat te trillen al van schrik.

Ursel krijgt een kleur als bloed, 
Pakt zijn net en schreeuwt verwoed: 
‘Wat? Jij woudt van mij van daan? 
Jij woudt mij verlaten gaan?’ - 
Bevend, bang, bleek als een doek, 
Kruipt ons Prikkie in een hoek.



Ursel gaat vlak voor hem staan, 
Kijkt hem met booze oogen aan, 
Tikt hem op zijn langen neus 
En zegt: ‘Nu vertel me eens heusch, 
Wil je reizen, broertjelief?’ - 
‘Neen, nooit,’ zegt hij, ‘hartedief!’






Och, 't ontbijt, het smaakt hem niet. 
Vol van spijt en van verdriet 
Zit hij daar en spreekt geen woord; 
Ursel, die hem zuchten hoort, 
Zegt in 't end: ‘Toe, praat eens wat; 
Wees maar niet zoo triest, mijn schat!






‘Kom, ik wil tot je pleizier
Eens wat spelen op 't klavier.’
En met hare schelle stem
Zingt ze een heel mooi lied voor hem;
Doch hij hoort dat brommend aan 
En denkt: ‘Loop jij naar de maan!’







Eindlijk houdt hij 't niet meer uit; 
‘Laat mij gaan, zus!’ roept hij luid
Maar zij schreeuwt: ’Daar komt niet van, 
Jij zult stil hier blijven, man!’ 
Waarbij ze op de tafel slaat, 
Dat die 't onderst boven gaat.






Nu heeft Prikkebeen gewacht
Tot in 't hartje van den nacht, 
En toen sloop hij als een muis 
Op zijn teenen uit het huis. -
‘'k Groet je, zus! Als 't kan geschiên, 
Hoop ik je nooit weer te zien.’

1 opmerking: