In 12 stappen door 2010

Januari
Een koude start
Februari
Het eerste zielige sneeuwklokje
Maart
Ons perenboompje in knop
April
Nu is het echt lente
Mei
Ons buurveulentje Lola is hier 2 dagen oud
Juni
Het barst ineens van de konijntjes in onze tuin
Juli
De eerste bloem van onze nieuwe waterlelie
Augustus
Marissa voor het eerst bij ons op bezoek
September
Een prachtige wolkenlucht
Oktober
De stoere haard in de jachthut staat klaar voor logees
November
35 zakken blad verzameld en afgevoerd
December
De hele maand al wit, dat belooft wat

Wie kent het nog?

            In het land der blonde duinen
            En niet heel ver van de zee,
            Woonde eens een dwergenpaartje
            En dat heette "Piggelmee."

            2.

            't Waren heel, heel kleine menschjes
            En ze woonden - vrees'lijk lot,
            Want ze hadden heel geen huisje -     
            In een ouden, Keulsche pot.

            3.

            Voor de zon en voor den regen -
            Nooddruft had hun dat geleerd -
            Hadden zij dien steenen pot, met
            d'Oop'ning naar den grond gekeerd.

            4.

            Toen een gat er in geslagen,
            Klein, maar groot genoeg toch voor
            Hun zoo kleine dwergenlijfjes 
            En daar kropen zij dan door.

            5.

            't Vrouwtje zorgde voor het eten
            Maar.... dat eten moest er zijn,
            "t Ventje ging dus daag'lijks jagen
            Schoot een haasje of konijn.

            6.

            Met een heel, heel klein geweertje,
            Dat gaf niet zoo'n grooten klap
            En dan ging hij op zijn klompjes,
            Met zijn konijntje vlug op stap.
         
            7.
            Zóó nu wist dat dwergenpaartje
            Zich te schikken in zijn lot
            En zij leefden vele jaren
            In hun omgekeerden pot.

            8.

            Toen, wie had dat kunnen denken?
            't Onverwachte komt altijd,
            Door een onverwachte tijding
            Werd hun hart door hoop verblijd.

            9.

            Op een mooien zomermorgen
            Lazen z' in de "Dwergenkrant"
            Dat er was .... een "toovervischje"
            Komen zwemmen naar het strand.

            10.

            't Vischje dat, met staart en vinnen
            Vlug zich door de golven sloeg
            Kon je alles, alles geven,
            als je 't hem maar need'rig vroeg.

            11.

            Doodstil werd het op dien morgen
            In den ouden Keulsche pot,
            Want de beide dwergjes dachten
            Aan hun droef en arm'lijk lot.

            12.

            ...Need'rig vragen...alles krijgen...
            Alles en... zij hadden niets.
            ..'n Vischje, dat..zoo mooi kon toov'ren..
            Toov'ren?..."manlief, zei je iets?"

            13.

            "Ik?-Neen"-"Zou je.. manlief..durf je
            Niet eens naar dat vischje gaan?"
            "Vrouwtje lief, dat doe ik zeker,
            Vóór je 't zei, dacht ik er aan."

            14.

            "En,... wat wou je hem dan vragen,
            Als je heusch dat vischje sprak?"
            "...'t Allereerst, dunkt mij, een huisje
            Met schoorsteen en dak,"

            15.

            "n Huisje, ècht, een heuschlijk huisje?
            Durf je dat te vragen man?
            Zoo een huisje met een deurtje
            Waar je echt in wonen kan.

            16.

            Ik, nog eenmaal in een huisje!
            Mensch? wie had dat ooit beleefd,"
            En haar kleine oogjes glimmen
            Van de voorpret die ze heeft.

            17.

            En... des morgens in de vroegte
            's And'rendaags ging Piggelmee,
            Klossend op zijn kleine klompjes
            Door de duinen naar de zee.

            18.

            "Vischje!" riep hij reeds van verre
            Met zijn handjes voor den mond,
            "Vischje", kan ik je eens spreken,
            Zwem je hier in d'omtrek rond?

            19.

            En toen klonk er plots als antwoord
            Uit de verre, wijde zee,
            Zacht en zilver stemgeluidje:
            "Riep je, ventje Piggelmee?"

            20.

            "Ja ik! Ja IK!" riep het ventje
            En hij trilde van genot;
            "Vischje, och geeft mij een huisje,
            'k Woon maar in een steenen pot."

            21.

            "Ga maar! Ga maar! riep het vischje
            'Geven kost mij niemendal,
            Ga maar gauw naar huis m'n ventje,
            Want je huisje staat er al."

            22.

            En... vergetend te bedanken
            Liep het dwergje, dol van pret
            Naar.. zijn pot, waar die stond, was
            Nu een huisje neergezet.
   
            23.
            Uit één van de vele raampjes
            Riep zijn vrouwtje, o! zoo blij,
            "Piggelmee! wat zeg je daar van?
            Kijk eens hier, hier wonen wij."

            24.

            Piggelmee zag met verbazing
            Nu zijn keurig huisje staan
            En hij wilde door het deurtje
            Als een heertje binnen gaan.

            25.

            Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten
            "t Huisje is wel aardig, maar
            't Zou je binnen  niet bevallen,
            Want het is nog lang niet klaar."

            26.

            "Je moet daad'lijk op je klompjes
            Nog eens naar de zee gaan, man,
            Want een huisje zonder meubels,
            Kijk, wat hebben wij daar an!"  

            27.

            "Vraag het vischje een paar stoelen
            En een tafel en een bed,
            En... gordijnen voor de raampjes,
            Want dat staat zoo keurig net.

            28.

            En nog meer, wat wou ik zeggen,
            Ja zoo veel nog, ga maar vast
            Er moet nog een spiegel wezen
            En ook nog een linnenkast."

            29.

            Vroolijk fluitend, op zijn klompjes,
            Ging het dwergje Piggelmee
            Weer naar 't strand en riep van verre:
            "Vischje! Vischje! in de zee!"

            30.

            Onbeweeg'lijk bleef de verte,
            Niets te zien in zee en lucht,
            Dan een eenzaam strandpleviertje,
            Dat zijn heil zocht in de vlucht.

            31.

            Toen kwam weer dat stemgeluidje,
            Zilverzacht uit verre zee:
            "Riep je nu weer m'n baasje?
            Riep je, dwergje Piggelmee?"

            32.

            "Ja ik!" riep verheugd het dwergje,
            "'k Dank je voor het huisje wel,
            Maar ik wou zoovéél nog hebben,
            Meubels en gordijnenstel."
    
            33.
            "Ga maar! Ga maar!" riep het vischje,
            "'t Geven kost mij niemendal,
            Ga maar gauw naar huis m'n ventje,
            Want je meubels staan er al."
      
            34.
            Toen het dwergje thuis kwam, vond hij
            Druk zijn vrouwtje in de weer
            Met het boenen van de meubels
            En zij sprak als d'eersten keer:

            35.

            "Man, je moet nog weer terug gaan,
            Want het vischje is zoo goed,
            Vraag voor mij wat mooie kleren,
            En een mantel en een hoed.

            36.

            Voor je zelf een flink paar schoenen
            Want, zooals je zelf wel ziet,
            Met die klompjes aan je voeten
            Pas je in ons huisje niet.'        
  
            37.
            En....ofschoon hij nu wat moe werd
            Ging het dwergje Piggelmee,
            Klossend op zijn kleine klompjes
            Wéér naar 't vischje in de zee.

            38.

            Gaarne liep hij door de duinen
            Maar het werd hem nu wat saai,
            Boven hem vloog hoog een zeemeeuw,
            Vóór hem een Vlaamse gaai.

            39.

            "Vischje!" riep hij reeds van verre,
            "'k Zou't niet wagen weer zoo gauw
            En zoovéél te komen vragen,
            Maar ik moet wel voor mijn vrouw.

            40.

            Kijk, ze wil wat kleren hebben
            En een mantel en een hoed,
            En voor mij een flink paar schoenen,
            "'t Vischje," zegt zij, "is zoo goed"

            41.

            "Ga maar!" riep opnieuw het vischje
            "Och! ik ken de vrouwtjes wel,
            Je zult thuis reeds alles vinden
            Ga maar heen en loop maar snel."

            42.

            En het dwergje thuis gekomen
            Vond zijn vrouwtje reeds gekleed,
            Zich bekijkend in den spiegel
            En ze sprak:...."Het doet mij leed"   

            43.

            "Piggelmee, je moet teruggaan,
            Want ik kan met goed fatsoen,
            Nu niet uitgaan, als ik weg ben
            Wie zal hier den boel dan doen?
           
            44.

            Ga het vischje nu  nog zeggen.
            Dat ik niet meer heb den tijd
            Om te boenen en te koken,
            Dat ik hebben moet een meid."

            45.

            Piggelmee keek nu zijn vrouwtje
            Voor het eerst gramstorig aan,
            Maar hij durfde niets te zeggen
            En... enfin... hij zou maar gaan.

            46.

            Onderweg dacht hij nog telkens
            Aan zijn stulpje van weleer
            En... dat hij het nu zoo goed had,
            Maar... hij floot geen liedje meer.

            47.

            "Vischje!" riep hij reeds van verre
            "Vischje, vischje, in de zee!!"
            "Roep je weer?" vroeg nu het vischje
            "Roep je, dwergje Piggelmee?"

            48.

            "Ja ik!" riep beklemd het ventje
            "Och! mijn vrouw heeft nu geen tijd
            Om haar huisje schoon te houden
            Zegt ze, en.... ze vraagt een meid."

            49.

            't Vischje gaf niet daad'lijk antwoord,
            't Was als of het even dacht,
            Maar toen klonk weer 't stemgeluidje:
            "Dwerg dat heb ik wel verwacht."
   
            50.
            "Ga naar huis, je zult er vinden
            Alles netjes aan den kant
            En een meisje vlug en helder,
            Ook een uit het dwergenland."

            51.

            Piggelmee, vermoeid van 't loopen
            Ging naar huis, zijn vrouwtje was
            Ook zoo even thuis gekomen,
            Maar niet bijster in haar sas.

            52.

            "Piggelmee, je moet teruggaan,
            Daad'lijk, 'k ben er op gesteld,
            Onderweg wou ik wat koopen,
            't Was zoo mooi, maar.. 'k had geen geld." 

            53.

            Ga het vischje nu nog vragen,
            Om wat geld, een vollen zak,
            'k Moet toch ook de meid betalen,
            Daarna, neem je je gemak."
   
    54.
            't Ventje ging met loome schreden
            Nog een keer naar 't vischje heen,
            't Was intussen laat geworden,
            't Strand lag eenzaam en alleen.

            55.

            Voor zijn voeten sloop een wezel
            Azend op een duinkonijn,
            En het ventje schrikte even,
            Want och! hij was zelf zoo klein.

            56.

            "Vischje!" riep hij reeds van verre
            "Vischje, vischje, in de zee!!"
            "Riep je?" klonk het nu weer vroolijk,
            "Riep je? vrindje Piggelmee?"
      
            57.
            "Ja ik!" riep verruimd het ventje,
            "Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer,
            want zij moet de meid betalen
            En wat koopen en zoo meer."

            58.

            "In ons huisje is nu alles
            Wat gemak en vreugde biedt,
            Zegt mijn vrouwtje, maar dat ene,
            Geld zegt zij, dat heeft ze niet."

            59.

            "Ga maar!" riep nu plots het vischje,
            't Geven kost mij niemendal,
            Daar had ik om moeten denken,
            Ga naar huis, het is er al."      

            60.

            't Vischje ging nu naar de diepte,
            't Ventje ging naar huis, 't werd nacht,
            ....In het aardig dwergenhuisje,
            Was een zak vol geld gebracht.

            61.

            Lange tijd was 't heel gezellig,
            En Piggelmee die was veel thuis.
            Maar zijn vrouw nu, werd ontevreden,
            ontevreden over haar nieuwe huis.

            62.

            "Ga, naar 't vischje" sprak het vrouwtje,
            'k wil wonen in een kasteel,
            Als een adellijke dame,
            En luisteren naar muziek van minnestreel.     

            63.

            Zo ging ons ventje schoorvoetend,
            Naar het vischje van de zee,
            "Vischje, vischje" riep hij in de golven,
            "Vischje, vischje" riep hij naar benee.

            64.

            Het vischje kwam weer boven,
            Vroeg aan Piggelmee wat 't nu weer was?,
            "De vrouw wil deftiger wonen,
            Met een kasteel is ze in heur sas."

            65.

            Je wensen zijn vervuld heer Piggelmee,
            Het betekent voor mij niet veel,
            "Ga naar nu snel naar huis toe,
            Je zult aanschouwen je vrouw in heur kasteel!"

            66.

            Rap ging nu ons dwergje huiswaarts,
            door de duinen, reeds zag hij van verre,
            De machtige torens van het kasteel
            Met daken blinkend als de sterre.

            67.

            Maar helaas, wat is op aarde
            Blijvend, ook tevredenheid
            Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen
            Wordt verdrongen door den tijd.

            68.

            Op een morgen sprak het vrouwtje,
            "Het gaat niet naar mijn zin,
            Ga naar het gulle vischje,
            Adellijke dame zijn is mij te min."

            69.

            "Zeg hem dat ik wil regeren,
            Als een koningin heel machtig,
            Dat de mensen voor me buigen,
            Dat vind ik pas prachtig!"        

            70.

            Wederom moest hij gaan lopen,
            Ons vriendje Piggelmee,
            Weer een wandeling maken,
            Naar het vischje in de zee.

            71.

            En aan vischje voor z'n vrouw,
            Een gunst gaan vragen.
            Ze was steeds ontevreden,
            Schijnbaar alle dagen.

            72.

            Weer liep Piggelmee door het duin,
            Kwam bij de zee weer aan,
            En wilde nu het vischje roepen,
            Zijn vraag voorzichtig stellen gaan

            73.

            Nu werd plotseling het water
            Vlak nabij een rimp'lig vlak,
            Waar het glanzend toovervischje,
            't Zilv'ren snuitje boven stak.
      
            74.
            Ditmaal was 't zilveren vischje,
            Piggelmee's vragen voor,
            Stuurde hem naar zijn ontevreden vrouw,
            Die regeerde, en zich krabde achter heur oor!

            75.

            Zóó...'t is vele maanden later
            Zien we vriendje Piggelmee
            Daag'lijks weer zijn wand'ling maken
            Naar het vischje in de zee.
          
            76.
            Dan een "dit" en dan een "datje"
            Altijd was het voor zijn vrouw
            En altijd als hij terugkwam,
            Had vriend Piggelmee berouw.            


    77.
            Eens, het was zoo koud dien morgen,
            Moest onze arme Piggelmee,
            Hij wou juist wat langer slapen,
            Toch naar 't vischje, toch naar zee.

            78.

            De vrouw wilde heersen over aarde,
            Over oceaanen en de diepten der zee,
            Wilde het vischje als bediende,
            Zij vond het een machtig idee.

            79.

            Piggelmee stampte met z'n voeten,
            Hij durfde niets te zeggen,
            En moest met tegenzin toch gaan,
            En 't vischje deze vraag voorleggen.       

            80.

            En... het kraagje van zijn jasje,
            Voor de koude hoog nu dicht,
            Gong het arme Piggelmeetje
            Naar de zee, met bang gezicht.

            81.

            "Vischje, Vischje," klonk het angstig,
            Over 't water als een kreet.
            "Vischje," 'k moet je weer wat vragen
            En dat doet nu echt mij leed.

            82.

            "Vischje, ik wou heusch niet komen,
            Want ik dacht wel, dat wordt mis,
            Wederom is het mij vrouw,
            Die nu wel zeer ontevreden is.   

            83.

            Plots'ling kwam er op het water
            Nu een breede rimpelkring,
            Wijl het anders kalme vischje
            Nu heel boos aan 't spart'len ging.
            
            84.
            En zijn antwoord klonk heel driftig
            Als uit dicht geschroefde keel:
            "Dwerg, ga daad'lijk naar je vrouw toe
            Zeg haar dit: zij eischt te veel,"

            85.

            Zeg haar, dat ik haar zal straffen,
            't Spijt mij wel voor jou m'n vrind,
            Ga naar huis en ga eens kijken
            Hoe je daar den toestand vindt."
          
            86.
            Langzaam aan verdween de rimpel
            Die op 't water zichtbaar was,
            't Vischje dook en... als een spiegel
            Werd de wijde waterplas.
                
    87.
            Piggelmee stond nog te kijken
            Toen, in 't naad'rend avonduur
            Ver in zee de zon ging zinken
            Als een bol van laaiend vuur.

            88.

            Diep verslagen ging hij henen,
            Angstig nu voor dreigend leed,
            Hoog in 't blauw verdween een reiger
            Met een aak'lig schorren kreet.

            89.

            Sloffend liep hij door de duinen
            En zijn schoentjes wogen meer
            Dan hem ooit zijn klompjes wogen
            In de dagen van weleer

            90.

            Toen hij meende, dat hij thuis was
            Keek hij als beteuterd rond,
            Want de Keulsche pot stond daar weer,
            Waar zoo straks het kasteel nog stond.

            91.

            En zijn vrouwtje zat te huilen
            "Piggelmee, wat vrees'lijk lot,
            Om nu weer te moeten wonen
            In dien ouden Keulsche pot."

Onrechtvaardigheid

In de zomer van 1981 zaten we samen op zwangerschapsgym,  ook wel biggengym genoemd. Zij was in verwachting van haar eerste kindje en ik van nummer 4. We konden het goed met elkaar vinden en gingen in augustus bij elkaar op kraamvisite. Zij was moeder geworden van een stralende dochter en ik van een zoon, die dezelfde naam zou hebben gekregen als hij een meisje was geweest. De geboortes werden ook door dezelfde engelachtige verloskundige begeleid.

Onze kinderen voedden we zelf en ze groeiden als kool. We hielden contact en kletsen regelmatig gezellig bij over onze koters. Inmiddels volgden we ook de postnatale gym om onze buiken weer in het gareel te krijgen.

Toen viel er eind december een kaartje op de mat. Zij hadden hun dochtertje verloren aan wiegendood. Wat vreselijk oneerlijk, wat onrechtvaardig! Ik voelde me zo schuldig, omdat ik 4 gezonde kinderen had en zij helemaal niets meer.

De uitvaart was hartverscheurend en staat op mijn netvlies gegrift. Er waren honderden mensen. Onze verloskundige was er ook. De beide ouders steunend op elkaar, het piepkleine witte kistje, de muziek ……….... Er was werkelijk niemand die het droog hield.

Dit nummer werd gespeeld, omdat ze daar zo graag op danste met Suzanne in haar armen.


Het engeltje heeft later 2 broertjes gekregen.

Babyblogger

1955 - 6 maanden
Op 1 november begon ik aan dit avontuur. Leuk, uitdagend en griezelig. Ik probeerde mijn blog te promoten en volgde gespannen de statistieken.Nu heb ik een aantal volgers, tientallen reacties en meer dan 2500 pageviews. Helemaal te gek!

Ik ontdek andere bloggers en verbaas me iedere dag over hun levens en hun openheid. Hoewel een aantal van hen toch besloten heeft om anoniem verder te bloggen, nadat ze vervelende reacties hebben gekregen of omdat ze hun kinderen willen beschermen. Tot nu toe heb ik daar geen last van.

Er zijn dingen, waarover ik bewust niet schrijf. Mochten jullie ergens vragen over hebben, stuur dan gerust een mailtje naar marja@fobo.nl.

Ja, hier in Vlaanderen kun je ook een Nederlands e-mailadres hebben. Het bedrijf van mijn man heet FOBO en is in 2005 gewoon met ons meeverhuisd naar België, inclusief e-mailadressen en mobiele telefoonnummers.
Sinds 1 januari 2006 is hij Belgisch zelfstandige zonder personeel. Dat is verplicht. Wij zijn dus keurig “ingeboergerd”.

Zijn er meer migranten, die mijn blog lezen? Hoe goed zijn jullie ingeburgerd?

Kippig

Met dank aan onze correspondente uit Kapellen:




Grappig

Wensen

Ik wens iedereen knotsgezellige dagen zonder stress, familieperikelen en indigestie, 
gevolgd door een schitterend, liefdevol, gezond, vredig en veilig 2011 met veel humor.

12000 bomen

Ons berichtenblad meldde het volgende:


Dat geeft de burger weer moed.

Blij

Dingen waar ik blij van word:

Mijn maatje naast me
Zingende merels
Een troostend woord
Begrepen worden
Vrienden gastvrijheid bieden
De lach van ons kleinkind
Het voorjaar
Ongelezen boeken
Volle maan
Vier gelukkige kinderen
Goede uitslagen na enge controles
Elke nieuwe dag
De humor van mijn vader
Reacties op mijn blog
Grote garnalen met knoflooksaus
Knuffelen voor de open haard
Muziek
Het zonnetje
Goed contact met dierbaren
Hommels op de lavendel
Gedichtjes

Extra donker door maansverduistering

Van onze correspondent
GRONINGEN, maandag 20 december 2010
Komende nacht wordt extra donker, doordat er juist op de
kortste dag van het jaar ook nog een maansverduistering is.
De totale maansverduistering die morgenochtend plaatsvindt,
is met wat geluk en de goede plek vanuit ons land te zien.
Het is dan tevens de kortste dag van het jaar,
die dus nog een stukje donkerder wordt dan gewoonlijk.
De verduistering begint vanaf half acht maar zal lastig te zien zijn,
omdat de verduisterde maan dan ondergaat.
De verduistering is totaal om 8.41 uur.

Decemberhaiku's

 
Sfeervol december 
In Villa Victoria 
Wacht een warm welkom
   
Koud, grauw, grijs en nat 
De dagen steeds iets korter 
Licht van binnenuit
   
Vrolijke tonen 
Verjagen de somberheid 
Een glimlach verschijnt
   
Decemberkilte 
De natuur houdt winterslaap 
Wij blijven binnen
   
Even een dipje? 
De dagen gaan weer lengen 
Na volgende week

Mopperblog

In navolging van Mammalien:

Grote en kleine ergernissen:
Luidruchtige, dronken mensen die toeterend en schreeuwend afscheid nemen
Telefoontjes rond etenstijd
Mensen die niet kunnen luisteren
Zeurpieten en chagrijnen
Aanstellers en komedianten
Bumperklevers
Leugenaars en bedriegers
Ruziezoekers en chronische kibbelaars
Lawaai (hondengeblaf, tetterende radio’s, gillende kinderen en motoren die een kwartier staan te bulderen)
Opscheppers en kakkers

Wie volgt?

Voornamelijk: ons gezin

Voornaam : Robbert
Oorsprong en betekenis: Germaans - afgeleid van Robrecht (schitterend door roem)
Voornamen gelijkend op Robbert: Albert Aubert Bert Dabert Ebbert Ebert Egbert Eibert Elbert Embert Erbert Fabert Gobert Hobert Hubert Libert Obert Olbert Robbe Robben Robbie Robbin Robby Robert Rubert Sebert Sibert Tibert

Voornaam : Marja
Oorsprong en betekenis: Slavisch - afgeleid van Maria (Bitter, bedroefd/Ster van de zee)
Voornamen gelijkend op Marja: Erja Maija Maja Manja Mara Mare Mari Marjam Marjan Mary

Voornaam : Angela
Oorsprong en betekenis: Grieks - van het Griekse 'angelos' dat 'boodschapper van god betekent'
Voornamen gelijkend op Angela: Anala Ancla Andela Anela Angele Angeli Angelia Angelica Angelie Angelien Angelika Angelina Angeline Angella Angelle Angeni Aniela Gela

Voornaam : Richard
Oorsprong en betekenis: Germaans - Dapper en machtig
Voornamen gelijkend op Richard: Adelhard Bernhard Burghard Diethard Eberhard Eerhard Einhard Erhard Everhard Gabhard Gerhard Godhard Leonhard Meinhard Michar Reinhard Rich Richie Richmond Richold Richter Rickard Ritchard Rochard

Voornaam : Robin
Oorsprong en betekenis: Engels - afgeleid van Robert (Schitterend door roem)
Voornamen gelijkend op Robin: zie Robbert

Voornaam : Ronald
Oorsprong en betekenis: Schots - Raadgever, heerser
Voornamen gelijkend op Ronald: Arnald Conall Donal Donald Reginald Reinald Rionaldo Roald Ronaldo Ronan Ronar Rowald

Slechts drie

 
De boom is gezet 
En alle lichtjes branden 
Morgen de ballen 
 
Bloemen van mijn nicht 
Een enorm sterk en lief mens 
Om van te houden
   
Mijn orchideetje 
Enthousiaste bloeier 
Horizontalis

Limericks uit Vlaanderen

Er was eens een Antwerpse dame 
Die ging zich in koken bekwamen 
De cursus ving aan 
Zij braadde een haan 
Dat kostte het pand alle ramen
 
Een zeer goede slager in Dongen 
Stond alom bekend om zijn tongen 
De dames aldaar 
Stonden ervoor klaar 
Dus niemand werd ertoe gedwongen
 
Een vage figuur uit IJmuiden 
Had ooit eens de klok horen luiden 
De klepel bleef zoek 
Lag net om de hoek 
Je kunt het hem niet euvel duiden